Stof
Ze drinken koffie samen, aan een lage tafel in een café dat eens een kelder was.
v- ik bewaar stof
m- waarom?
v- zodat wanneer ik je ontmoet, ik zeker weet dat jij het bent
m- en ben ik het?
v- ik denk het wel
m- weet je dat ik om die reden boeken lees?
v- welke?
m- welke maakt niet zoveel uit
v- wil je nog meer koffie?
m- of misschien maakt dat wel uit. Ik heb je nog altijd niet gevonden.
v- ik vind je leuk
m- laat me de stad maar zien
v- dat we wandelen en niets meer zeggen?
m- denk je dat ik je later een keer helemaal zal begrijpen?
v- alleen als we al heel vaak gewandeld hebben.
m- we houden allebei van chocolademousse. Jij altijd al. Ik heb het leren lekker vinden. dat kwam pas laat. Ik lustte toen al koffie en bijna wijn.
v- wandelen we al?
m- zodra we bij die hoek zijn. Over de brug langs de gracht.
v- als laatste noem ik wel die bomen langs het water. Ik weet niet hoe ze heten. Omdat ik ze heb opgemerkt lopen we straks naast elkaar en denken er tegelijkertijd over na.
m- dan zeg ik niets meer over de warmte op mijn gezicht en de zon die net nog tussen bomen schijnt.
|