Keesjan Muller


Keesjan Muller uit Zoeterwoude, werkzaam in de kledingindustrie, vrijgezel, woont momenteel nog altijd op kamers omdat hij geen huis met meer dan 1 kamer vinden kan. Dit in een middelgrote stad, waar niet al te veel lawaai is. Sterker nog, als hij in deze middelgrote stad rond een uur of acht s’ avonds over straat fietst, is het verassend rustig. Een kalmte die bijna stil genoemd kan worden. Het geluid die de autobanden maken over de oneffenheden in het asvalt, zoals het gooien van een steentje in een plas water, kun je waarnemen. Evenals de vrouwen met hakken.

Gaat Keesjan:

A. een meisje ontmoeten

B. een affaire hebben

C. geen van beiden

Keesjan Muller fiets elke ochtend naar de winkel, gelegen in de sjieke buurt, om stropdassen te verkopen. Dat de buurt sjieker is dan de rest van deze middelgrote stad, is niet waarneembaar aan de grootte van de huizen, de bomen die middenin de straat op een extra stoep staan, want die staan er niet, die stoep is er ook niet. Of aan de aanwezige snackbars, want die zijn er veel. Wel zit er op de hoek van de enige winkelstraat in deze buurt, een kledingzaak, die soms verandert in een Japanse Sushi-bar of een sjieke brillenwinkel. En een stropdassenwinkel waar de goedkoopste stropdas in de uitverkoop dertig euro kost. Daar werkt Keesjan en zo’n soort onderneming kan enkel bestaan in een sjieke buurt. 


Contact tussen mensen is als een antenne. De antenne van keesjan kan vergeleken worden met een kapotte antenne. Zowel in het zenden als in het ontvangen. Als klanten vragen: “heeft u ook een iets andere kleur?” Dan maken de draadjes in het hoofd van Keesjan geen contact met de antenne. Maar als je er goed over nadenkt, is het natuurlijk een hele rare vraag. Wat is een iets andere kleur? Welke kant gaat een iets andere kleur op? Of iets andere stipjes, of iets andere streepjes, of, net iets anders? Dat is waar Keesjan op weg naar huis over nadenkt. Eenmaal thuis denkt hij aan de was die inmiddels door huisgenoten op de wasmachine is gelegd. Over dat hij de was zou kunnen ophangen.
Het is niet zo dat er veel stropdaskopers zijn die dat opmerkten, die losse contactjes. Keesjan heeft een zeer vriendelijke glimlach. Een zeer vriendelijke glimlach, maakt vele antwoorden goed.

In een stropdassen zaak komen niet veel vrouwen

  1. de kans dat Keesjan Muller een vrouw ontmoet is kleiner geworden
  2. de kans dat Keesjan Muller een vrouw ontmoet is hetzelfde gebleven
  3. het is niet waar dat er niet veel vrouwen in een stropdassen zaak komen

De informatie over de sjieke buurt komt niet van Keesjan, want Keesjan merkte dit soort zaken niet of nauwelijk op. Dit hoort hij van zijn buurjongen. “Hoi Keesjan, heb je de nieuwe winkel gezien? Oh nee, dat is waar ook, maar in elk geval, daar zit nu een zaak voor avondjurken”. Daarbij kijkt hij met een sluwe blik naar Keesjan, “Jaahaa, ik heb gesproken met een van de medewerkers maar die hebben een beroepsgeheim, geloof me.” Daarbij kijkt hij met een sluwe blik naar Keesjan. “Oh, oke” zegt Keesjan dan. “Nee, echtwaar, je moest ’s weten hoeveel geld daar in omgaat in die zaak, bedoel, denk maar na over de huur van dat pand en het feit dat nooit iemand binnen is om iets te kopen. Nou goed, he, ik moet ervandoor. Doei.” Meestal moet hij ervandoor, en als hij er niet vandoor moet, dan gaat zijn mobiele telefoon af.

Klaas
Een winnaar is iemand met veel eergevoel. Iemand die behoefte heeft een idee, zijn idee te laten zijn. Een winnaar is iemand die enkel het ideaal zo machtig mogelijk te worden, nastreeft. Met of zonder nadenken. Dat doet er niet zoveel toe. Er is een doel. Het doel kan veel zijn, bijvoorbeeld het behouden van een idee van de persoon die voor de dag moet komen. Uiteindelijk is het doel geld, maar geld zie je niet als je ’s ochtends in de spiegel kijkt. Dan zie je een hoofd met haar wat strak achterover moet met gel. Zoals het hoofd van de afdeling stropdassen. Klaas is de baas van Keesjan Muller. Keesjan Muller daarintegen, is een loozer zonder doel.

Klaas vroeg onlangs aan Keesjan of hij weleens nadacht over zijn toekomst. “Hoe bedoel je?” zei Keesjan. “Of je wel eens nadenkt over je toekomst! Misschien zou je ander werk willen, of een eigen bedrijf, of een reis rond de wereld, weet ik veel!” “Nee, daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik vind hier werken wel leuk. Jij?” Klaas had hem toen verbaasd aangekeken. “Hoe bedoel je?” “Nou, wil jij een reis om de wereld maken?” Keesjan had nu zijn handen in zijn zij gezet. “Nee Keesjan, ik wil geen reis om de wereld maken. Keesjan, ik heb thuis drie kleine kinderen die naar school moeten in nieuwe kleren en een vrouw die ook wel ’s op vakantie wil. Zou je zo vriendelijk willen zijn om vandaag die kast daar geheel op te ruimen? En zou je dit keer willen proberen om de stropdassen netjes op prijs terug te leggen en niet op kleur? Dankjewel.” Klaas liep weg alsof er een telefoon afging die hij snel moest opnemen. Maar Klaas had een mobiel in de binnenzak van zijn jasje. Soms trilde dan zijn jasje, maar dan deed Klaas net of niemand dat zag en hij niks voelde.

Keesjan Muller is zeer vatbaar voor herhaling. Zo heeft zijn fiets een bepaald punt, waarop het draadje van zijn niet werkende licht in de spaken terecht komt. Afhankelijk van de snelheid van dat wiel, ontstaat dan een ritme. Keesjan Muller kan soms snel, soms langzaam fietsen. Soms als Keesjan Muller na sluitingingtijd naar huis fietst, vraagt Klaas weleens of Keesjan Muller zijn licht niet zou willen repareren. Keesjan Muller zegt dat hij wel vaak denkt aan het repareren van zijn licht. Daarbij glimlacht hij vriendelijk.

Als Keesjan thuis komt zet hij zijn wekker om acht uur. Voor de volgende ochtend. Om kwart voor tien ’s avonds doet hij het koffiefilter met de koffie en de juiste hoeveelheid water vast in het apparaat, zodat hij zich kan richten op het reeds verzamelde stapeltje kleding op zijn bureaustoel om zich om tien over acht te kunnen neerzetten op zijn te lage stoel. Met zijn eerste kopje koffie.

Van tien over acht tot tien voor half negen dan bestaat Keesjan Muller niet. Van tien over acht tot tien voor half negen, drinkt Keesjan Muller een kopje koffie.

Vroeger, een paar jaar geleden, had Keesjan een andere baan gehad. “Je moet echt werk vinden. Je hebt tegenwoordig toch ook zoiets als fietskoerier? Kun je dat niet gaan doen?” aldus zijn moeder. Oke, fietskoerier. Op de eerste dag van zijn fietskoerierschap reed Keesjan Muller zijn fiets vast in de trambaan en zichzelf met zijn smoel op het wegdek. Het fietskoerierbedrijf dekte de kosten. Van de fiets en van de kaakchirurg. De kaakchirurg zei dat Keesjan moest leren loslaten. Dit nadat hij een verbrijzelde kies had weggezaagd waarbij Keesjan zeer angstig was geweest en bijna flauw viel. Keesjan vond het lief, dat de kaakchirurg dat zei.

Na de koffie poetst hij zijn tanden, doet zijn sleutels van het haakje naast de deur tussen zijn vingers, kijkt ernaar, doet de deur op slot en de sleutels in zijn rechter jaszak. Stapt vervolgens op zijn fiets. Op naar Straberthi. Op naar de stropdassen.

Eens in de twee weken, op donderdagavond, visiteert Keesjan zijn zeer oude oma. “Ik heb het altijd zo goed gehad met opa... hij was mijn grote liefde, mijn vriendin, mijn kind en mijn maatje. Ik had niemand anders nodig... en dan legden we onze handen ’s avonds in elkaar, dan hoefden we niks te zeggen. Dan wisten we allebei dat we verdrietig waren.” Keesjans oma verstopt zo lang hij haar kent, een papieren zakdoekje in haar mouw. Die komt op momenten als deze, onzichtbaar te voorschijn en droogt ze onopgemerkt het vocht dat uit haar ogen rolt. “Maar oma, had je dan helemaal geen vrienden? Je kookte toch altijd heel veel? voor wie dan?” “Ja, we hadden natuurlijk wel hele goeie kenissen, Jaaa, we hadden wel hele goeie kennissen hoor. Zoals de familie Schapekutter en de Polakken van de Banstraat. Maar ik had het heel goed met opa. Hij was mijn grote liefde, mijn vriendin, mijn kind, en ja, en ook mijn maatje.” Tegenwoordig was het zakdoekje meer zichtbaar, wat te maken heeft met de reuma van zijn oma.
“En natuurlijk voor de kinderen en de familie. Ik kookte altijd heel veel voor de familie. Keesjan, neem wat van die cake. Neem van die cake! Je bent veel te dun voor je leeftijd. Ik hoop zo voor je dat jij net zo gelukkig wordt als ik. En je weet dat je moet oppassen! Liefde gaat voor de man door de maag, dus zorg dat ze goed voor je zorgt. Ze moet goed voor je zorgen.”
Keesjan bladert het activiteitenboekje van het tehuis waar zijn oma in een stoel zit door, terwijl hij van een versiert bordje, cake eet. “Zou je voor mij de planten water willen geven? Dat is ook al zolang niet gebeurd.”

Keesjan vult de gieter met water in de badkamer en geeft de planten water. Een plantje staat op de televisie. Daar ging het mis. Hij goot water in de televisie die knisperend sidderde. “Oh ik heb zo’n spijt dat ik je vroeg om de planten water te geven... Maar het geeft niks. Het geeft niks. Ik haal dat plantje altijd eerst van de televisie voordat ik er water in doe... Ach het geeft niks. Ik heb zo’n spijt dat ik het je vroeg...”
“Sorry, echt, het spijt me oma.” “Ach, ik ga vanavond wel iets anders doen.” De oma van Keesjan doet niets anders dan televisie kijken.

“Maar je kunt de reparatie van de televisie toch op je wa-verzekering verhalen” – zijn vader- “Ja wat sta je me nou aan te kijken? Oke, een wa-verzekering. Toen jullie klein waren heb ik een wa-verzekering genomen. Jij bent toen een keer tegen een stilstaande auto aangefietst, die man wilde dat ik betaalde, nou goed. Toen heb ik die afgesloten.”

“Ik wil best betalen hoor pa...” “Nee natuurlijk niet. Ik vroeg me af of je misschien, misschien Keesjan, een wa-verzekering had afgeloten. En nee, die zit niet in je Zilverenkruis, dat is een ziektekostenverzekering. Die moet je dus apart hebben afgesloten.” Zijn vader kijkt wat langer dan anders naar Keesjan. “Nee jongen. Ik denk niet dat je die hebt afgesloten.”

Mooi weer is het niet. Druilerig terwijl het zomer moet voorstellen. Juli is het. Niet dat Keesjan het erg vindt. Integendeel. Dan hoeft hij zich niet ongemakkelijk te voelen als het park weer bomvol zit met jongens die in plaats van binnen, buiten gitaarspel oefenen. Bovendien zijn er te veel meisjes in blousjes. Onweerstaanbare meisjes in blousjes. Tot net boven navel, tot net zichtbare beha, tot net heel verleidelijk, maar niet aanzitten. Keesjan mag niet aan de blousjes zitten. Zelfs het glijden van ogen, wat andere mannen kennelijk heel gemakkelijk afgaat (zij die wel aan de blousjes mogen zitten), zelfs het kijken geeft Keesjan het gevoel een terrein te betreden waarbij het risico bestaat gearresteerd te worden. Wegens onsmakelijk gedrag. Het was maar beter dat het geen mooi weer was.
Inplaats daarvan verplaatst Keesjan zich in de cirkel van stropdas, bibliotheek en huis. Verkoper, student, beest, verkoper student beest.

In de kantine van de bibliotheek leest keesjan zijn opgegraven boek. “Wat lees je?” Een blousje. Haar rode lippenstift zit aan de rand van het plastic bekertje thee. “Oh ja, eeh, een beetje van alles.” Keesjan moffelt zijn boek onder zijn tas die ook op de plakkerige kantinetafel ligt, weg. “Oh...” Ze gaat godverdomme op een stoel naast hem zitten en pakt een boek uit haar tas. Keesjan glimlacht. Dat was te enthousiast! Keesjan voelt dat hij te enthousiast was! Het blousje glimlacht terug. Eigenlijk zijn haar dikke vingertjes ongepast, die kunnen nooit zachtjes een regel in het boek meelezen denkt Keesjan. Ze keert terug naar haar boek. Keesjan keert terug naar zijn boek. Dat was de ontmoeting van Keesjan in de zomer die niet op een zomer leek.

Hij onmoette ook veel op straat. Kennelijk was het voor de blousjes doodnormaal om doorschijnende witte erg slap katoenen broeken te dragen. Met daaronder billen. Blote billen. Lange zwiepende haren met daaronder roodgeverfde glimlach, zo eentje uit de tandpastawereld gecombineerd met een shampoo reclame, bewegend alsof Keesjan de camera was die dit beeld moest vastleggen. Dat deed Keesjan ook, hij prikte dat beeld vast in zijn beeldenbank. Keesjan is geen cameraman.

Gaat Keesjan:

A. een meisje ontmoeten

B. een affaire hebben

C. geen van beiden