OPGEDRiNGErige GEDACHTE


Er zijn wel eens gedachten die zich opdringen. Die komen als ze niet uitkomen, meestal niet hardop, maar ze zijn er en gaan na verloop van tijd weer weg, want tijd verloopt. Maar deze gedachte was een echte doorzetter. Eerst was hij er alleen op het hoofdkussen. De meeste opdringerige gedachten lijken zich namelijk te vormen in de kamers van de droom en de meesten sluiten netjes de deur als de eigenaar ontwaakt, maar deze legde zichzelf op het hoofdkussen. Het kussen werd door de eigenaar meermalen gewassen, maar de gedachte bleef.

Op een dag, een dag zoals vele, bleef hij niet op het kussen liggen, zoals gewoonlijk, maar ging mee met de eigenaar. De eigenaar besloot daarom dat hij weg moest gaan, weg van zijn kussen, weg van zijn normale doen, dan zou de opdringerige gedachte hem wellicht ook met rust laten.


Dus hij stapte in een trein en hij voelde zich al lichter worden na een uur of drie. Maar dacht hij, als ik nu nog wat langer zitten blijf, dan weet ik zeker dat de opdringende gedachte mij verlaat. Dus reisde hij nog drie uren verderop.


Aangekomen woog zijn bagage zwaarder dan bij vertrek en hij realiseerde zich dat de opdringerige gedachte er niet enkel was, maar dat het nu in tienvoudige vorm bezit nam van al zijn gedachten. De opdringerige gedachte begon hem zelfs te vertellen hoe en wat de eigenaar doen moest. De eigenaar probeerde echt om de gedachte niet de overhand te laten krijgen, verzette zich, liet andere gedachten strijden, maar de opdringerige gedachte bleef.


De eigenaar was op een zeker punt beland. Op dit puntige moment besloot de eigenaar dat hij de gedachte wellicht kwijt kon raken, door uit te voeren wat deze gedachte hem opdroeg. Hij luisterde goed, wat deze opdringerige gedachte nou eigenlijk precies te vertellen had. En daaruit verstond hij het volgende: Boosheid is niet wat het lijkt


De eigenaar probeerde met al zijn andere gedachten te begrijpen wat deze opdringerige gedachte hier nou mee wilde vertellen. De eigenaar maakte zelfs aanspraak op zijn diepst gewortelde gedachte, om te kijken of iemand in zijn herinnering dit ooit aan hem verteld had, maar ook hier werd gezwegen. En de opdringerige gedachte was opdringender dan ooit.


Die avond besloot de eigenaar, dat hij nieuwe gedachten moest verzamelen, om van zijn opdringerige gedachte verlost te worden. En ineens had de eigenaar een onvoorzien probleem: hij wist niet hoe hij aan nieuwe gedachten kon komen. Dat was èèn component van het probleem en de andere was: als de opdringerige gedachte er was, kon hij geen nieuwe gedachte binnenlaten, omdat ze werden overmeesterd door de opdringerige.


Hierop besloot de eigenaar een daad te verrichten. Hij reisde met de opdringerige gedachte terug naar huis. En om erachter te komen of zijn kussen hem echt niet meer hebben wilde, ging hij slapen, maar toen hij wakker werd wandelde de opdringerige gedachte weer geheel normaal van het kussen naar de eigenaar.


Daarop pakte de eigenaar een gereedsschapskist waar hij zich herinnerde een ijzerzaagje in te hebben opgeborgen. Maar het ijzerzaagje, zo was de tweede herinnering, die lag nog bij zijn ex, inderdaad, voor het repareren van die pokkefiets van die trut, en natuurlijk had ze hem dat zaagje nooit terug gegeven zoals ze wel meer nooit terug zou geven, dus geen ijzerzaagje. Dus moest de eigenaar de straat op om een nieuw ijzerzaagje te kopen. Wat veel tijd kostte, want de ijzerhandel op de hoek had nou net geen ijzerzaagjes meer zodat hij naar een andere moest en hierop had de eigenaar helemaal niet gerekend. Bovendien moest hij dan weer nadenken over waar dat ijzerzaagje zich dan bij zijn ex bevond, in welk kastje en of ze al een nieuwe liefde had en of die nieuwe liefde dan dat ijzerzaagje zou gebruiken, wat hem lichtelijk onpasselijk maakte. Zijn ijzerzaagje!


Thuis aan gekomen met zijn nieuwe ijzerzaagje, legde de eigenaar zijn hoofd op tafel en begon te zagen. Na vier uren kon hij het schild van zijn hoofd openen. Net als een gekookt eitje waar het bovenste stukje van is weggehaald. Hij bekeek de ene helft, waar niks bijzonders te zien was en legde die in de koelkast. Nu pakte hij een spiegel en ging voor een andere staan. Zo kon hij, met de ene spiegel boven zijn hoofd, in de andere spiegel op zoek naar de opdringerige gedachte. Wat hij hoopte te zien, was niet wat hij zag. Het was een bloederige massa wat het meest leek op maden die daar een beetjes sompig aan het zijn waren. Bovendien was het best koud zonder het kapje, dus naaide hij het kapje weer op zijn hoofd.


De dagen erna had hij een vreselijke hoofdpijn waardoor hij gedachtenloos was, en zich niet eens kon realiseren dat ook de opdringerige gedachte er niet was. Helaas ging het na een week stukken beter en zo ook met de opdringerige gedachte.
De avond van zijn beterschap en de terugkeer van al zijn gedachten besloot hij te vieren, met opdringerige gedachte en al.

“Zo” zei hij tegen de opdringerige gedachte “ we gaan wat drinken en dan moet je me eindelijk eens vertellen wat je nou bedoelt met je uitspraak”. En zo belandden de eigenaar en de opdringerige gedachte in een eigenaardig en onnavolgbaar gesprek. Zo ging het het ene moment over de lekke band van een fiets en een ander over buigzaamheid van hout en ook over lichtvallen tijdens de verschillende seizoenen en het hebben van verdriet en over de dood, natuurlijk, want als je eigenaardige en onnavolgbare gesprekken hebt, dan is er op een zeker moment sprake van de dood. Maar ook over jonge katjes en eenden die in de winter brood gevoerd krijgen en dan ineens met z’n allen opvliegen zodat het sneeuw je om je oren wappert. Over eenzaamheid en over alleen zijn. Over de verschillen en de overeenkomsten tussen een luipaard en een panter. Totdat de opdringerige gedachte iets bekende: “Toen ik je bezocht was het helemaal niet mijn idee om opdringerig te zijn. Maar omdat je me niet wilde horen, toen moest ik wel opdringerig zijn, want ik moet toch samen met alle andere gedachten door een vat gaan? Nou dat lukte me niet als ik genegeerd werd. Dus laat me nou toch en help me bij het oplossen van die stomme zin. Leg me uit wat ik zeg! Alleen kan ik het niet. Het lukt me niet.”


De bek van de eigenaar viel open. “Dus jij neemt eerst bezit je mijn gedachten en vervolgens vraag je me te helpen? En dan denk dat ik je nog wil helpen ook?”
“Jamaar jij hebt ook last van mij, zoals ik last heb van jou als jij me niet helpt, want als jij me niet helpt, dan kan ik je ook niet met rust laten”  Dus de eigenaar moest de opdringerige gedachte helpen, maar hoe? Wat was dat nou voor stelling?
“ Als  Boosheid niet is wat het lijkt, wat is het dan wel?”  De opdringerige gedachte probeerde uit alle macht, niet de opdringende gedachte te zijn en zichzelf op wat voor manier te oversteigen, maar het lukt niet. Wat er uit kwam was:

Boosheid: Wat het niet is, lijkt?

De eigenaar trok zich terug in zijn stoel, nam een sloot koffie. Hij voelde zijn hoofdpijn langzaam opstijgen. “Boosheid wat het niet is lijkt? Lijkt wat? LIJKT WAT? WAAR LIJKT BOOSHEID OP? WAAR GAAT DIT NOU OVER! EN DAN MOET IK DAT OPLOSSEN TERWIJL JIJ DAT ERIN PROPT EN JIJ ERUIT WIL!”

Zijn herinnerigen werden door dit geschreeuw wakkergeschud en verzamelden zich in de maag van de eigenaar waar het broeierig aanvoelde en waar ze tintelde naar beelden. Ze wrikte de deurtjes open en daar kwam het gezicht van de ex tevoorschijn. Zij schreeuwde iets tegen de eigenaar, maar alles wat ze schreeuwde belandde in stofdeeltjes op een stoffige plank, waar ondergestofte spaghetti lag te liggen. Sommige stukjes spaghetti waren al wat beschimmeld. De ex schreeuwde nog harder en waarschijnlijk schreeuwde ze te hard, want de stofdeeltjes werden bloed. De ex stond daar een partijtje bloed te kotsen, niet om aan te zien! En nu ging ze gooien met die plakkaten bloed! Naar de eigenaar! De eigenaar keek alleen maar heel verschrikt. Hij wilde wegkruipen. Ver weg, niet zien. Niet horen. “Alsof ik het niet zie”. Maar ineens bedacht hij zich. De eigenaar besloot nu voor eens en voor altijd om niet weg te kruipen. Hij glibberde over de bloederige massa naar de ex en blies een hele grote luchtbel uit zijn mond. Hij pakte de luchtbel, trok deze over de ex, rende als een gek naar een laatje om er een stuk stevig draad uit te pakken, rende als een gek terug en bond de luchtbel heel stevig vast. De ex ging als een waanzinnige te keer daar in die luchtbel, wel een paar maanden lang, bokste tegen de wanden van de beelden van de eigenaar. De eigenaar probeerde met zijn bus lachgas, die hij had staan voor feestjes en partijtjes en probeerde de luchtbel vol te spuiten met dit gas. Het lukte niet, de ex viel elke keer weer op de grond en lag daar op dat hoopje beschimmelde spagetthi in het bloed, verstoft te liggen.

Op een dag was de eigenaar dodelijk vermoeid. Hij deed zijn handen voor zijn ogen en begon als een bezetene te huilen. Hij huilde drie dagen en drie nachten lang. Soms schreeuwde hij het uit. Soms snikte hij wat. Soms kwamen er geen tranen uit zijn ogen, maar alleen snot en water uit zijn neus. In dat snot zaten stukjes opdringerige gedachte. Wat de eigenaar niet weet is dat in dat snot de opdringerige gedachte, stukje bij beetje, begreep wat de boosheid was. Het waren de gedachten van de tranen!

Langzaam begonnen zijn herinneringen op te ruimen. De ex werd schoongepoetst en kreeg een plaatsje ergens in een van de onderste laden. Als een marmeren beeld, lag ze tweedimensionaal, onder een laagje stof, maar ook mooie plaatjes van wandelingen door verschillende steden waren er opgeslagen. En heel af en toe, op melancholische momenten, werd het tweedimensionale plaatje driedimensionaal. Dan danste de eigenaar met het marmeren beeld, wat even ontdooide. Het plaatje werd zo stoffig, dat ook het gezicht steeds vager werd, soms, als de herinneringen schoonmaakaanvallen hadden, dan kwam het fel tevoorschijn, maar soms leek het of ze per ongeluk andere hoofden op die foto plakten, en soms kon de eigenaar echt niet meer zien hoe ze lachte, hoe ze huilde, of hoe ze nadacht.  En ook de herinneringen van de stem werden oud. En heel langzaam vormden de herinneringen zich naar het paletjes met kleuren, waar weer nieuwe herinneringen lagen te wachten om te worden aangemaakt.