"Ik moet mijn hoofd aanzetten", riep hij. "Ik moet mijn hoofd aanzetten!"
Het hoofd rolde over de grond, van de trap af naar buiten. Waar het koud was. En het regende ook. Dus spoelde de inhoud als spaghetti over de stoeprand de goot in waar een mannetje met roe wegveegde, wat er weg te vegen viel.
"Ik moet naar buiten! ik moet naar buiten!" gilde de mond. Maar wat deed het er nog toe. Dat mondje was niet meer dan een verloren vis. Uit een plastic zak.
|